copd-2020/diagnostisch-proces/aanbevolen-en-optionele-meetinstrumenten (2024)

Bij de selectie van meetinstrumenten is gewerkt volgens het stappenplan van het ‘Raamwerk Klinimetrie’ (KNGF 2016a, KNGF 2016b).

Het stappenplan bestaat uit de volgende acht stappen:
Stap 1 – Wat wil je meten? Stap 2 – Waarom wil je meten?
Stap 3 – Met welk soort meetinstrument wil je meten? Stap 4 – Hoe vind je een meetinstrument?
Stap 5 – Wat is de hanteerbaarheid?
Stap 6 – Wat is de klinimetrische kwaliteit
Stap 7 en 8 – Zijn er normwaarden beschikbaar en hoe bereken en interpreteer je de gegevens?


Per stap wordt de keuze voor de meetinstrumenten verantwoord en vervolgens is het onderscheid gemaakt tussen de aanbevolen en optionele meetinstrumenten.

Stap 1 – Wat wil je meten?

In deze richtlijn worden parameters genoemd die therapeuten tijdens het diagnostisch en therapeutisch proces bij patiënten met COPD in kaart kunnen brengen in relatie tot de hulpvraag van de patiënt.

De volgende relevante parameters zijn geformuleerd, onderverdeeld naar ICF-domein:

  • Functies en anatomische eigenschappen: fysieke capaciteit/inspanningsvermogen (functioneel en maximaal), zuurstofsaturatie, kortademigheid, vermoeidheid, spierkracht, ademspierfunctie, pijn, balans
  • Activiteiten en participatie: fysieke activiteit, activiteiten en participatie tijdens ADL-valrisico
  • Externe factoren: geen
  • Persoonlijke factoren: symptoomlast, voedingstoestand, angst en/of depressie

Deze parameters kunnen worden geobjectiveerd tijdens de anamnese, het lichamelijk onderzoek, het screenen op rode vlaggen, ten behoeve van een eventuele doorverwijzing, het stellen van doelen, het monitoren tijdens de oefentherapie, en ten behoeve van de (eind)evaluatie.

Stap 2 – Waarom wil je meten?

Alle genoemde parameters in stap 1 kunnen met zowel een diagnostisch doel als een evaluatief doel gemeten worden. Er zijn geen parameters die expliciet met een prognostisch doel worden gemeten.

Stap 3 – Met welk soort meetinstrument wil je meten?

Per parameter is op narratieve wijze gezocht naar meetinstrumenten die geschikt zijn voor het objectiveren van de parameter. Parameters die overeenkomen zijn samengevoegd, waarbij vervolgens is gezocht naar een meetinstrument dat beide parameters kan objectiveren.

Fysieke capaciteit/inspanningsvermogen
Het inspanningsvermogen kan worden geobjectiveerd als functioneel en als maximaal inspanningsvermogen. Voor het objectiveren van het functioneel inspanningsvermogen is een analyse uitgevoerd van de Zes Minuten Wandeltest (6MWT) en varianten daarvan, de Twee Minuten Looptest (2MWT), de Twaalf Minuten Looptest (12MWT), de ‘Shuttle Walk Test’ (SWT), de ‘Incremental Shuttle Walk Test’ (ISWT), de ‘Endurance Shuttle Walk Test’ (ESWT) en de ‘Constant Work Rate cycle Test’ (CWRT). Voor het objectiveren van het maximale inspanningsvermogen is de ‘Cardiopulmonary Exercise Test’ (CPET) geanalyseerd.

Zuurstofsaturatie
De zuurstofsaturatie (SpO2) wordt gemeten om aan de hand van de uitkomst daarvan te besluiten al dan niet te starten met de fysieke training. Op grond van de SpO2 kan ook worden bepaald of het nodig is om de intensiteit gedurende de inspanning aan te passen of de inspanning te stoppen en indien nodig de patiënt terug te verwijzen. Tevens wordt de SpO2 gemeten om het herstel van de saturatie na inspanning te bepalen.
De transcutane niet-invasieve meting van de SpO2 via een vinger, oorlel of het voorhoofd wordt uitgevoerd met een saturatiemeter (Garvey 2016).

Kortademigheid
Om kortademigheid te objectiveren, zijn de Borgschaal ‘Kortademigheid’, de ‘Medical Research Council’-dyspneuschaal (MRC) en de modified ‘Medical Research Council’-dyspneuschaal (mMRC) geanalyseerd.

Vermoeidheid
Om vermoeidheid te objectiveren, zijn de Borgschaal ‘Vermoeidheid’, de ‘Visual Analogue Scale’ (VAS) ‘Vermoeidheid’ en de Checklist Individuele Spankracht (CIS) geanalyseerd.

Spierkracht
Om de spierkracht te objectiveren, zijn de ‘Hand-Held dynamometer’ (HHD), de Isokinetische dynamometer, de ‘One-repetition’ maximaaltest (1RM) en de 1RM submaximaaltest geanalyseerd.

Voedingstoestand
Om te screenen op mogelijke ondervoeding is de ‘Malnutrition Universal Screening Tool’ (MUST) geanalyseerd. Voor screening op sarcopenie is de SARC-F geanalyseerd.

Ademspierfunctie

Om de ademspierfunctie te objectiveren, is de ‘Maximal Inspiratory Pressure’ (MIP) geanalyseerd.

Pijn
Om pijn te objectiveren, zijn de ‘Numeric Pain Rating Scale’ (NPRS), de ‘Visual Analogue Scale’ (VAS) en de ‘Verbal Rating Scale’ (VRS) geanalyseerd.

Balans en valrisico
Om balans en valrisico te objectiveren, is een analyse uitgevoerd van de ‘Performance Oriented Mobility Assessment’ (POMA), de ‘Functional Reach Test’ (FRT), de ‘Get Up & Go test’ (GUG), de ‘Timed Up & Go test’ (TUG), de ‘Berg Balance Scale’ (BBS) en de sneltest ‘Op één been staan’.

Fysieke activiteit
Om fysieke activiteit te objectiveren, zijn zowel vragenlijsten als activiteitenmeters geanalyseerd.

Activiteiten en participatie in ADL
Om activiteiten en participatie in ADL te objectiveren, zijn de Patiënt Specifieke Klachten (PSK) en de ‘Patient Specific Goal-setting’ methode (PSG) geanalyseerd.

Symptoomlast
Om de symptoomlast te objectiveren is een analyse uitgevoerd van de ‘Quality of Life for Respiratory Illness Questionnaire’ (QoLRIQ), de ‘Chronic Respiratory (Disease) Questionnaire’ (CR(D)Q), de ‘Short Form Chronic Respiratory Questionnaire’ ((SF)CRQ), de ‘St. George’s Respiratory Questionnaire’ (SGRQ), de ‘St. George’s Respiratory Questionnaire for COPD patients’ (SGRQ-C), de ‘Clinical COPD Questionnaire’ (CCQ), de ‘COPD Assessment Test’ (CAT) en de ‘Respiratory Illness Questionnaire-Monitoring 10’ (RIQ-MON10).

Angst en depressie
Om angst en depressie te objectiveren, is de ‘Hospital Anxiety and Depression Scale’ (HADS) geanalyseerd.


Stap 4 – Hoe vind je een meetinstrument?

Alle genoemde meetinstrumenten in deze richtlijn zijn beschikbaar, of kunnen beschikbaar gesteld worden, via www.meetinstrumentenzorg.nl.

Stap 5 – Wat is de hanteerbaarheid?

Fysieke capaciteit/inspanningsvermogen
De afnameduur van de 12MWT is groter dan die van de 6MWT, de SWT en de 2MINWT, en ook is de test belastender voor de patiënt. De 6MWT is een simpele test die bij veel verschillende populaties gebruikt kan worden die niet getest kunnen worden met langer durende tests (bijv. de 12MWT) of een test waarbij op een extern tempo gelopen moet worden (bijv. de SWT) (ERS/ATS 2014a; ERS/ATS 2014b). De 6MWT is een ‘self-paced’ test en wordt het meest gebruikt in de dagelijkse praktijk in Nederland. De test wordt als goed hanteerbaar beschouwd.
De SWT heeft vaak de voorkeur bij patiënten die van zichzelf al een hogere loopsnelheid hebben. De variant ISWT ligt zeer dichtbij het maximale inspanningsvermogen van een patiënt (ERS/ATS 2014b). Bij de ESWT wordt juist het functionele inspanningsvermogen gemeten. Voor de ESWT, die net als de ISWT niet ‘self-paced’ is, moet eerst de ISWT twee keer uitgevoerd worden (ERS/ATS 2014a; ERS/ATS 2014b). Beide tests worden als voldoende hanteerbaar beschouwd.
Bij de CWRT is de duur van de test afhankelijk van de volhoudtijd van de patiënt bij een constante belasting van 75% van de eerder vastgestelde maximale fietsbelasting (Van ’t Hul 2003) en duurt bij gezonde volwassenen gemiddeld niet meer dan 15-20 minuten (Neder 2000). Hoewel voor het afnemen van de CWRT een meting met de CPET nodig is, wordt de CWRT als voldoende hanteerbaar beschouwd.
De CPET wordt bij voorkeur uitgevoerd onder supervisie van een longarts, waarvoor een verwijzing door de huisarts nodig is. Deze test wordt als voldoende hanteerbaar beschouwd.

Zuurstofsaturatie
De transcutane SpO2 kan eenvoudig en snel in de praktijk worden gemeten aan de vinger of de oorlel. Er moet een zuurstofsaturatiemeter voor worden aangeschaft, maar de kosten daarvan zijn beperkt. De zuurstofsaturatiemeter wordt hierdoor als goed hanteerbaar beschouwd.

Kortademigheid
Van de Borgschaal (0-10) is een gemodificeerde versie ontwikkeld voor COPD, die lijkt op de oorspronkelijke ‘Borg Rating of Perceived Exertion Scale’ (Borg RPE-schaal, 6-20) (Borg 1982). Het is een eenvoudige en korte schaal, die zeer veel wordt gebruikt door therapeuten in Nederland. De Borgschaal wordt als goed hanteerbaar beschouwd.
De mMRC is een praktische schaal met een korte afnameduur (< 1 min), die de zorgprofessional of de patiënt zelf kan invullen (Fletcher 1965; Cazzola 2015). Huisartsen gebruiken echter de MRC in plaats van de mMRC (LAN 2016, NHG 2015). De MRC wordt ook door bepaalde regionale transmurale netwerken gebruikt om te bepalen in welke setting de patiënt behandeld moet worden (HUS 2016). Aangezien de MRC-score simpel is om te rekenen naar een mMRC-score, wordt de mMRC als goed hanteerbaar beschouwd.

Vermoeidheid
Er zijn veel vragenlijsten om vermoeidheid mee in kaart te brengen (Hewlett 2011). De VAS ‘Vermoeidheid is internationaal gezien het meest gebruikte instrument (Hewlett 2011), maar dit instrument is weinigomvattend en is daardoor onvoldoende hanteerbaar volgens de werkgroep.
De Borgschaal is een eenvoudig en goed hanteerbaar instrument dat tijdens de inspanningstests (voor en na de behandeling) en tijdens behandeling kan worden toegepast. De schaal wordt in Nederland zeer veel gebruikt (Borg 1982).
De Checklist Individuele Spankracht (CIS) meet subjectieve vermoeidheid en gedragsaspecten die hieraan zijn gerelateerd met behulp van 20 items die zijn verdeeld over vier subschalen (Vercoulen 1994, 1999). De afnameduur is 4 tot 10 minuten. Omdat het afnemen van de gehele CIS20R-schaal belastend is voor de patiënt, wordt vaak alleen de acht items tellende subschaal ‘Vermoeidheid’ gebruikt (CIS8R) (Goertz 2019; Hewlett 2011). Het enkel afnemen van de subschaal CIS8R wordt als goed hanteerbaar beschouwd.

Spierkracht
Voor het in kaart brengen van perifere spierkracht bij patiënten met COPD is het meten van grote spiergroepen van belang (Robles 2011). De afnameduur van de HHD is kort. In de dagelijkse praktijk is de HHD een draagbaar, klein instrument, dat eenvoudig is in het gebruik voor een snelle meting. Het instrument is relatief goedkoop (ten opzichte van isokinetische dynamometers die worden beschouwd als de gouden standaard, maar waarvoor speciale kennis, vaardigheid en apparatuur vereist zijn) (Schrama 2014). Er wordt geen HHD-meting van de bovenste extremiteit (bijv. schouderabductie) aanbevolen; deze wordt als minder relevant beschouwd dan HDD-meting van de onderste extremiteit. De HHD wordt als voldoende hanteerbaar beschouwd.
De 1RM maximaaltest heeft eveneens een korte afnameduur. Er hoeft voor meting geen extra apparatuur te worden aangeschaft indien de therapeut al beschikt over nauwkeurig in te stellen krachtapparatuur. Afname van de 1RM blijkt veilig (Kaelin 1999). In tegenstelling tot de HHD kan de 1RM niet diagnostisch ingezet worden. Met behulp van de 1RM kan wel de trainingsintensiteit bepaald worden voor training op dezelfde krachtapparatuur als waarop de meting werd uitgevoerd (Morree 2006). De 1RM wordt als voldoende hanteerbaar beschouwd.

Voedingstoestand
Met de MUST kan (risico op) ondervoeding gesignaleerd worden; met de SARC-F (risico op) sarcopenie (Stuurgroep Ondervoeding 2015; Stuurgroep Ondervoeding 2019).

Ademspierfunctie
Voor een MIP-meting is de aanschaf van ‘threshold’-apparatuur noodzakelijk. Een meting is betrouwbaar als drie herhalingen minder dan 10% van elkaar verschillen. In een statement van de ‘European RespiratorySociety’ (ERS) staan meer details over het testen van de respiratoire spierkracht (ERS 2019a). Indien thresholdapparatuur reeds aanwezig is in de praktijk, wordt dit meetinstrument als hanteerbaar beschouwd.

Pijn
De afname van de NPRS, de VAS en de VRS duurt ongeveer één minuut. Een systematische literatuurstudie laat zien dat de NPRS op basis van gebruiksgemak en toepasbaarheid de voorkeur heeft boven de VAS en de VRS (Hjermstad 2011). Hoewel alle instrumenten hanteerbaar zijn, wordt de NPRS als het best hanteerbaar beschouwd.

Balans en valrisico
De POMA (Test van Tinetti) is uitgebreid en duurt daardoor 10 tot 15 minuten (Tinetti 1986). Deze test wordt als hanteerbaar beschouwd, maar duurt dus relatief lang en is belastender voor de patiënt dan de andere meetinstrumenten.
De FRT is weinig belastend voor de patiënt (Duncan 1990), maar is wel een activiteit in één houding en wordt daardoor als minder goed hanteerbaar beschouwd dan de andere meetinstrumenten.
De TUG is praktisch en simpel uit te voeren en dient twee keer te worden uitgevoerd (Mesquita 2013). De TUG is een gemodificeerde versie (het element tijd is toegevoegd) van de ‘Get Up & Go test’ (GUG) en wordt ook wel de ‘Timed Get Up & Go test’ genoemd (TGUG) (Barry 2014; Mathias 1986). Het meetinstrument is ADL-specifiek en kan daarnaast gebruikt worden om functioneel inspanningsvermogen te meten indien andere inspanningstests niet mogelijk zijn, bijvoorbeeld in de thuissituatie (Mesquita 2013). Tevens geeft de TUG inzicht in de activiteiten ‘opstaan uit een stoel’ en ‘lopen’. De TUG wordt als goed hanteerbaar beschouwd.
De sneltest ‘op één been staan’ heeft geen gevalideerd afkappunt om verhoogd valrisico op te kunnen baseren en uit onderzoek naar de BBS blijkt dat de grenswaarde van 45 seconden niet geschikt is om valrisico mee te detecteren (Muir 2008). Beide meetinstrumenten worden hierdoor als niet goed hanteerbaar beschouwd.

Fysieke activiteit
De afnameduur van vragenlijsten die een globale indruk geven van fysieke activiteit bij patiënten is lang en daarmee zijn deze vragenlijst niet goed hanteerbaar.
De hanteerbaarheid van de huidige commercieel beschikbare activiteitenmeters is wisselend. Patiënten zien wel de meerwaarde in van het gebruik van een activiteitenmeter om inzicht te krijgen in het eigen beweeggedrag en om gemotiveerd te raken om meer te bewegen, maar dat geldt alleen als de meter feedback geeft over het aantal stappen en eventueel het aantal actieve minuten (Ummels 2019). Patiënten met chronische aandoeningen (waaronder COPD) ervaren dergelijke activiteitenmeters echter als technisch ingewikkeld. Zij willen ondersteuning van de therapeut bij het gebruik ervan bij het diagnostisch en/of therapeutisch proces en willen er niet te veel geld (maximaal € 50,–) aan uitgeven (Ummels 2019). Er wordt geadviseerd om activiteitenmeters te gebruiken die activiteiten (i.e. bewegingen) meten in directe uitkomstmaten, zoals stappen en actieve minuten (Van Remoortel 2012a).

Activiteiten en participatie in ADL
De PSG is de vernieuwde versie van de PSK. De PSG kan als meetinstrument, maar tegelijkertijd als methode worden ingezet om samen met de patiënt doelen te stellen (Stevens 2013, 2017a). Bij de PSG wordt meteen de PSK afgenomen, waardoor het stellen van doelen meer geïntegreerd is in het therapeutisch methodisch handelen (Stevens 2017b). Benodigdheden zijn alleen de – vrij verkrijgbare – vragenlijst en een pen. Afhankelijk van de doelgroep en de tijd die het kost om activiteiten te selecteren, is de afnameduur van de PSG gemiddeld 5 tot 15 minuten (Beurskens 1996). Omdat de PSG onderdeel is van het methodisch handelen, kost afnemen ervan geen extra tijd (Stevens 2017a) en is daardoor zeer goed hanteerbaar. Zie verder B.6 ‘Doelen stellen’.

Symptoomlast
De meest uitgebreide ziektespecifieke vragenlijsten, de QoLRIQ, de CRQ (en SF-CRQ) en de SGRQ (en SGRQ-C), zijn complex in het gebruik in de dagelijkse zorgpraktijk. De CCQ en de CAT zijn in die situatie geschikter (Cazzola 2015; GOLD 2020; Ringbaek 2012).
De 10-items tellende CCQ en de 8 items tellende CAT zijn eenvoudige vragenlijsten die door de patiënt kunnen worden ingevuld (Van der Molen 2003; Jones 2009a). De gemiddelde afnameduur van de CAT is 107 seconden en die van de CCQ 134 seconden (Ringbaek 2012). Een andere geschikte test is de RIQMON10, die de goede klinimetrische eigenschappen van het originele instrument, de QoLRIQ, heeft behouden en met 10 items (afnameduur 3 minuten) goed bruikbaar is in de dagelijkse zorgpraktijk (Jacobs 2004). Zowel de CCQ als de RIQ-MON10 worden in de COPD-richtlijn voor huisartsen genoemd (NHG 2015). De CCQ wordt in de Nederlandse therapeutisch setting het intensiefst gebruikt door huisartsen, terwijl de longartsen veelal de CAT gebruiken (LAN 2016). De CCQ, CAT en RIQMON10 worden voor het bepalen van de symptoomlast beschouwd als de best hanteerbare meetinstrumenten.

Angst en depressie
Met de HADS kan depressie en angst worden gemeten in zowel een ziekenhuissetting als in de dagelijkse praktijk bij verschillende doelgroepen (Zigmond 1983). De vragenlijst bestaat uit 14 items die gelijkelijk zijn verdeeld over de subschalen ‘Angst’ (HADS-A) en ‘Depressie’ (HADS-D). De HADS detecteert de aanwezigheid van specifieke angstof depressieve stoornissen niet adequaat en is geen medisch-diagnostisch gereedschap of een goede voorspeller van specifieke diagnosen, maar geeft wel aanwijzingen voor gegeneraliseerde symp- tomen van angst en depressie (Julian 2011). De HADS is gemakkelijk in het gebruik. Het is een korte vragenlijst met een invultijd van ongeveer 2 tot 5 minuten. De HADS is een veel gebruikte vragenlijst voor het snel en gemakkelijk in kaart brengen van psychologische klachten en wordt als goed hanteerbaar beschouwd.

Stap 6 – Wat is de klinimetrische kwaliteit?

Fysieke capaciteit/inspanningsvermogen
Zowel de 6MWT, de SWT (inclusief de varianten ISWT en de ESWT) en de CWRT blijken geschikt voor het meten van de inspanningscapaciteit en zijn valide, betrouwbare en responsieve meetinstrumenten (ERS/ATS 2014a; ERS/ATS 2014b; GOLD 2020; O’Donnell 2009, Puente-Maestu 2016, Van ’t Hul 2003).
De CPET is het enige instrument dat geschikt is voor het meten van het maximale inspanningsvermogen en wordt hiervoor dan ook als gouden standaard beschouwd (ERS 2019a). De test-hertestbetrouwbaarheid van deCPET voor het meten van de VO2-max bij mensen met COPD is goed. De klinimetrische kwaliteit van de 6MWT, de ISWT/ESWT, de CWRT en de CPET wordt als goed beschouwd.

Zuurstofsaturatie
De nauwkeurigheid van de zuurstofsaturatiemeter is met ongeveer 4% (Amalakanti 2016) voldoende voor de detectie van een significante daling in zuurstofspanning. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de meting bij patienten met COPD de SpO2-waarde overschat (Amalakanti 2016), is de saturatiemeter aan de vinger geaccepteerd als een betrouwbaar instrument (Hess 2016; Nitzan 2014).
De meting kan onbetrouwbaar zijn bij een abnormaal hemoglobinegehalte, tijdens beweging en bij het dragen van nagellak of als de vinger koud is (verminderde perifere doorbloeding) (Hess 2016; Nitzan 2014). Dan kan de meting elders op het lichaam herhaald worden, zoals via de oorlel of via een plakcensor op het voorhoofd (EN 2016). Er zijn ook praktische overwegingen bij het kiezen van een bepaalde meetlocatie. Meting via het voorhoofd lijkt dichterbij de arteriële zuurstofsaturatie (SaO2) te liggen dan via de vinger, maar beide sensoren detecteren inspanningsgerelateerde desaturatie (Wilson 2013). De klinimetrische kwaliteit van de saturatiemeter wordt als voldoende beschouwd.

Kortademigheid
De Borgschaal ‘Kortademigheid’ is niet onderzocht op klinimetrische eigenschappen, maar de oorspronkelijke Borg RPE-schaal is valide en correleert goed met de hartfrequentie (Chen 2002; Colberg 2003; Penko 2017; Scherr 2013). De responsiviteit bij gezonde volwassenen is goed (Buckley 2000). De mMRC correleert goed met andere metingen van de gezondheidsstatus (Bestall 1999; Spruit 2007) en voorspelt het risico op mortaliteit (Nishimura 2002; Sundh 2012a). Een nadeel van de mMRC is de lage responsiviteit (Cazzola 2015). De klinimetrische kwaliteit van zowel de Borgschaal ‘Kortademigheid’ als de mMRC wordt als voldoende beschouwd.

Vermoeidheid
De Borgschaal ‘Vermoeidheid’ is valide en correleert goed met hartfrequentie (Chen 2002; Colberg 2003; Penko 2017; Scherr 2013). De validiteit, betrouwbaarheid en responsiviteit van de CIS8R (en van de CIS20R) zijn goed, maar deze zijn vooral intensief getest in populaties met reumatoïde artritis (Hewlett 2011; Van Hoogmoed 2010; Van Hoogmoed 2008; Van Koulil 2009; Zijlstra 2007). In studies met patiënten met COPD wordt de CIS als uitkomstmaat gebruikt (Goërtz 2018, 2019). De klinimetrische kwaliteit van de Borgschaal ‘Vermoeidheid’ en van de CIS8R wordt als voldoende beschouwd.

Spierkracht
De validiteit, inclusief de differentiatie tussen lage en hoge spierkracht van de 1RM en van een submaximale variant daarvan is lager dan die van de objectievere methoden, zoals de HHD (Schrama 2014). Uit een systematische literatuurstudie bleek de HHD valide (Stark 2011). Bij meting van de quadricepskracht was de test-hertestbetrouwbaarheid van de HHD bij patiënten met COPD met een ernstige tot zeer ernstige luchtstroombeperking hoog (ICC 0,97) (Nyberg 2018). De betrouwbaarheid van de HDD (alleen de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid) bij meting van de bovenste extremiteit was goed (Schrama 2014). De klinimetrische kwaliteit van beide instrumenten wordt als voldoende beschouwd.

Voedingstoestand
Klinimetrische eigenschappen van zowel de MUST als de SARC-F worden als voldoende beschouwd (Stuurgroep Ondervoeding 2015; Stuurgroep Ondervoeding 2019).

Ademspierfunctie
De MIP-meting is geschikt voor het bepalen en evalueren van de maximale inademingsspierkracht (Basso-Vanelli 2018; ERS 2019a). De meting is betrouwbaar bij patiënten met COPD wanneer meerdere metingen gedaan worden en de meting wordt uitgevoerd door een ervaren zorgprofessional. De betrouwbaarheid kan negatief beïnvloed worden wanneer er sprake is van hyperinflatie en/of een ernstige obstructie. De klinimetrische eigenschappen van de MIP-meting worden op grond hiervan als voldoende beschouwd.

Pijn
De NPRS is in vergelijking met drie andere pijnschalen voldoende valide en responsief (Ferreira-Valente 2011). Hoewel de reproduceerbaarheid van de totaalscores voldoende is, scoort de NPRS slecht op individuele scores door grote variabiliteit (Van Tubergen 2002). De NPRS verdient op basis van goede sensitiviteit de voorkeur boven de ‘Visual Analogue Scale’ (VAS) (Williamson 2005). Uit een systematische literatuurstudie blijkt dat de NPRS ook op basis van compliance en responsiviteit de voorkeur heeft boven de VAS en de VRS (Hjermstad 2011). Op grond hiervan worden de klinimetrische eigenschappen van de NPRS als goed beschouwd.

Balans en valrisico
De POMA heeft een betere betrouwbaarheid en validiteit en kan beter discrimineren dan de FRT en de TUG, maar alle meetinstrumenten scoren laag op responsiviteit (Lin 2004). De TUG is echter voldoende valide en responsief bij patiënten met COPD, heeft een goede test-hertestbetrouwbaarheid en kan ook goed discrimineren (Al Haddad 2016; Mesquita 2013, 2016). De klinimetrische kwaliteiten van de TUG worden op basis hiervan als voldoende beschouwd.

Fysieke activiteit
De klinimetrische kwaliteit van vragenlijsten is onvoldoende om inzicht in beweeggedrag van patiënten te krijgen. Het invullen van vragenlijsten of dagboekjes leiden tot overschatting van de meeste activiteiten, terwijl laag-intensieve activiteiten erdoor worden onderschat (Ainsworth 2015; Helmerhorst 2012). Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar de klinimetrische kwaliteit van applicaties op smartphones, zoals activiteitenmeters. Uit onderzoeken waarin ook applicaties zijn bestudeerd, blijkt dat de validiteit van dergelijke applicaties wisselend is bij onder meer patiënten met COPD (Ummels 2018). Er wordt steeds meer onderzoek gedaan naar activiteitenmeters, maar van onderzoeken naar commercieel verkrijgbare activiteitenmeters (zonder licentiekosten en met beperkte aanschafkosten per meter) heeft slechts een enkel onderzoek voldoende methodologische kwaliteit.
De validiteit van commercieel verkrijgbare activiteitenmeters voor het tellen van het aantal stappen en de fysieke activiteit is goed, maar de validiteit van activiteitenmeters die het energieverbruik en de slaap meten is slecht; deze meters zijn echter vaak onderzocht bij een gezonde (sportieve) volwassen populatie (Evenson 2015; Kooiman 2015; Van Remoortel 2012b). Bovendien presteren de meters bij matige en hoge loopsnelheid beter dan bij lage loopsnelheid (Fokkema 2017). De klinimetrische eigenschappen van activiteitenmeters lijken wisselend, maar ze zijn volgens de werkgroep voldoende om activiteitenmeters als meetinstrument in deze richtlijn op te meten.

Activiteiten en participatie in ADL
De methodologische kwaliteit van de PSK is goed bevonden, maar is onderzocht bij andere aandoeningen dan COPD (Van der Wees 2012). De validiteit en responsiviteit van de vragenlijst zijn voldoende (Beurskens 1996; Rollman 2010; Van der Wees 2012). De betrouwbaarheid wisselt, afhankelijk van de gekozen activiteit (Nijkrake 2009). Wanneer bij de vragenlijst de VAS wordt gebruikt in plaats van de NRS is de betrouwbaarheid van de PSK voldoende (Rollman 2010). Naar de Engelse variant, de ‘Patient Specific Functional Scale’ (PSFS), is meer onderzoek gedaan. Uit een review blijkt dat de PSFS valide, betrouwbaar en responsief is (Barten 2012). Op basis van de klinimetrische eigenschappen van de PSK, wordt ook de klinimetrische kwaliteit van de PSG als voldoende beschouwd.

Symptoomlast
Generieke vragenlijsten, zoals de EQ-5D en RIQMON10, zijn in het algemeen op groepsniveau valide, maar er zijn problemen bij gebruik voor individuele uitkomsten en bij een slechte respons; dit geldt met name voor de RIQMON10, die daardoor afvalt (Finch 2018). De CCQ is valide, betrouwbaar en responsief (ook voor het evalueren van interventies) (Ställberg 2009; Sundh 2012). De vragenlijst heeft sterk discriminerende eigenschappen voor alle patiënten met COPD en voor patiënten met een risico op COPD (Van der Molen 2003). De CCQ is gevalideerd voor gebruik op groepsniveau en voor gebruik op individueel niveau (Kocks 2006; Van der Molen 2003). De CAT is betrouwbaar en gevoelig voor verandering in de gezondheidsstatus (na een longaanval en tijdens een interventie) (Dodd 2011, 2012; Smid 2017; Jones 2009b). De CCQ en CAT worden beschouwd als meetinstrumenten met de beste klinimetrische kwaliteit.

Angst en depressie
Zowel de interne consistentie van de subschalen, als de test-hertestbetrouwbaarheid van de HADS is hoog (Bjelland 2002; Roberts 2001; Smarr 2011). In vergelijking met andere veel gebruikte (maar langere) vragenlijsten voor het in kaart brengen van depressieve en angst (zoals de ‘Beck Depression Inventory’ en de ‘General Health Questionnaire’) is de validiteit goed tot zeer goed (Julian 2011; Bjelland 2002; Smarr 2011). Het discriminerend vermogen van de HADS is matig tot hoog en vergelijkbaar met andere screeningsvragenlijsten (Bjelland 2002; Brennan 2010). De responsiviteit van de HADS is goed, in het bijzonder bij patiënten met hoge scores aan het begin van de interventie (Harrison 2012; Smid 2017). De klinimetrische kwaliteit van de HADS wordt hiermee als goed beoordeeld.

Stap 7 en 8 – Zijn er normwaarden beschikbaar en hoe bereken en interpreteer je de gegevens?

De normwaarden van de aanbevolen meetinstrumenten zijn opgenomen in de betreffende modules in deze richtlijn. Voor de normwaarden en de interpretatie van optionele meetinstrumenten wordt verwezen naar www.meetinstrumentenzorg.nl.

Fysieke capaciteit/inspanningsvermogen
Er zijn normwaarden beschikbaar voor de 6MINWT en verschillende uitvoeringen van de SWT (Andrianopoulos 2015; Beekman 2013, 2014; Troosters 1999; Wise 2005). Ten aanzien van de 6MWT is het belangrijk dat de normwaarden worden gebruikt die horen bij de manier waarop de test is afgenomen, zoals parcourslengte (Beekman 2013) en de manier van aanmoedigen, en dat de normwaarden passen bij het land of de regio waar de geteste persoon vandaan komt (Andrianopoulos 2015). Voor de CWRT zijn normwaarden beschikbaar voor het evalueren van klinische vooruitgang (Puente-Maestu 2016). Ook voor de CPET zijn normwaarden beschikbaar (ERS 2019b).
Zie B.5 ‘Patiëntenprofielen’ voor normwaarden en de interpretatie van de 6MWT in relatie tot de profielindeling. Voor normwaarden en interpretatie van de CPET, zie B.3.2 ‘Maximale inspanningstest’.

Zuurstofsaturatie
Ten aanzien van de zuurstofsaturatie zijn aanbevelingen geformuleerd voor de situatie waarin de training (tijdelijk) onderbroken moet worden vanwege een te lage zuurstofsaturatie. Zie hiervoor C.3.4 ‘Zuurstofsaturatie en trainen met zuurstofsuppletie’.

Kortademigheid
Voor de mMRC zijn normwaarden beschikbaar. Vaak wordt een mMRC-score ≥ 2 gebruikt om te differentiëren tussen ‘geen/weinig kortademigheid’ en ‘veel tot heel veel kortademigheid’ (GOLD 2020). Aanvullend onderzoek geeft aan dat dit afkappunt het aantal patiënten met weinig kortademigheid lijkt te overschatten en dat een afkappunt van ≥ 1 vergelijkbaarder is met een CAT-score ≥ 10 (Jones 2013). Een mMRC ≥ 2 komt beter overeen met het afkappunt ≥ 18 op de CAT; ≥ 1,9 punten op de CCQ en ≥ 46,0 punten op de SGRQ (Smid 2017).

Vermoeidheid
Voor de CIS20R zijn uitgebreide normgegevens beschikbaar van verschillende groepen gezonde personen en patiënten, waaronder patiënten met COPD (Vercoulen 1994, 1999). Afkappunten op de CIS8R zijn over het algemeen gebaseerd op de gemiddelde scores voor gezonde volwassenen plus één of twee standaarddeviaties, ofwel 27 tot 35 punten voor verhoogde vermoeidheid en ≥35 puntenvoor ernstige vermoeidheid (Van Hoogmoed 2010), waarbij deze laatste score overeenkomt met de vermoeidheidsgradatie van patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom (Knoop 2008). Er is geen minimaal klinisch relevant verschil gerapporteerd (Hewlett 2011).

Spierkracht
Er zijn normwaarden en referentieformules beschikbaar voor de HHD-meting (Ploeg 1991; McKay 2017; Andrews 1996; Bohannon 1997). Er zijn geen normwaarden voor de 1RM-tests en de gemeten waarden zijn in sterke mate afhankelijk van de gebruikte apparatuur, waardoor deze tests niet diagnostisch gebruikt kunnen worden.

Voedingstoestand
Er zijn normwaarden van de MUST en de SARC-F opgesteld ten behoeve van doorverwijzing in verband met (een verhoogd risico op) ondervoeding of sarcopenie (GLIM 2019). Zie hiervoor de aanbevelingen in B.4.2 ‘ Doorverwijzen naar andere zorgverleners’.

Ademspierfunctie
Van de MIP zijn normwaarden beschikbaar voor het vaststellen van een verminderde ademspierfunctie (ERS 2019a; Rodrigues 2017).

Pijn
Het klinisch-relevante verschil bij het meten van pijn met behulp van de NPRS is vastgesteld onder een populatie van patiënten met aspecifieke nekklachten (Pool 2007).

Balans en valrisico
Er zijn normgegevens beschikbaar voor de TUG (Podsiadlo 1991; Van Wegen 2005). Met behulp van deze normgegevens kan het valrisico bepaald worden.

Fysieke activiteit
In diverse onderzoeken is genoemd dat een persoon minimaal 7500 tot 10.000 stappen per dag moet zetten om van een actieve gezonde leefstijl te mogen spreken (Hanco*ck 2012; Lee 2019; Tudor-Locke 2004). Het blijkt echter dat een gezond persoon gemiddeld slechts 5500 tot 6000 stappen per dag zet en mensen met een chronische aandoening zetten zelfs maar 3500 tot 5500 stappen per dag (Tudor-Locke 2001, 2004; Lee 2019). Zie voor normwaarden en interpretatie van de activiteitenmeter in relatie tot de profielindeling B.5 ‘Patiëntenprofielen’.

Activiteiten en participatie in ADL
Voor aanbevelingen over het gebruik van de PSG bij het stellen van doelen zie B.6 ‘Doelen stellen’.

Symptoomlast
De symptoomlast wordt beoordeeld door de longarts, de huisarts of de verpleegkundig specialist. Zie voor normwaarden en interpretatie van de CCQ en CAT in relatie tot de profielindeling B.5 ‘Patiëntenprofielen’.

Angst en depressie
Er zijn normgegevens beschikbaar van de HADS (Smid 2017; Snaith 1994).

Onderscheid tussen aanbevolen en optionele meetinstrumenten

Het onderscheid tussen de aanbevolen en optionele meetinstrumenten is gebaseerd op de mate waarin het meetinstrument nodig is voor de aanbevelingen in deze richtlijn.

De volgende meetinstrumenten zijn op grond hiervan als aanbevolen aangemerkt:

  • CCQ of CAT (symptoomlast), 6MWT (fysieke capaciteit) en activiteitenmeter (fysieke activiteit). Zie B.5 ‘Patiëntenprofielen’.
  • CPET voor de profielen 4, 5 en 6 (maximaal inspanningsvermogen). Zie B.3.2 ‘Maximale inspanningstest’.
  • PSG (activiteiten en participatie). Zie B.6 ‘Doelen stellen’.
  • Zuurstofsaturatiemeter (zuurstofsaturatie). Zie C.3.4 ‘Trainen in relatie tot zuurstofdesaturatie’.

Overige meetinstrumenten worden wel als relevant beschouwd, maar als optioneel aangemerkt, aangezien deze in mindere mate nodig zijn voor het volgen van de aanbevelingen in deze richtlijn. De optionele meetinstrumenten zijn opgenomen in de Toelichting.

copd-2020/diagnostisch-proces/aanbevolen-en-optionele-meetinstrumenten (2024)
Top Articles
Latest Posts
Article information

Author: Jeremiah Abshire

Last Updated:

Views: 5743

Rating: 4.3 / 5 (74 voted)

Reviews: 81% of readers found this page helpful

Author information

Name: Jeremiah Abshire

Birthday: 1993-09-14

Address: Apt. 425 92748 Jannie Centers, Port Nikitaville, VT 82110

Phone: +8096210939894

Job: Lead Healthcare Manager

Hobby: Watching movies, Watching movies, Knapping, LARPing, Coffee roasting, Lacemaking, Gaming

Introduction: My name is Jeremiah Abshire, I am a outstanding, kind, clever, hilarious, curious, hilarious, outstanding person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.